Blog.

Max.

| 0 comments

Vroeger wilde hij leeuwentemmer worden. Maar dan niet in een circus. Of misschien wel in een circus maar dan niet dat er allemaal mensen kwamen kijken. Hij wilde gewoon een leeuw vanaf de grond op een platform laten springen.
Dat hij de leeuw kon laten brullen. Alleen voor hem. Daar hoefde niemand bij te zijn.

Hij zou een lange leren zweep hebben en hij zou heel hard “HEE” roepen. Soms zelfs twee keer, als de leeuw niet snel genoeg was of vervaarlijk naar hem gromde. Met een diepe, rauwe stem zou hij de leeuw tot onderdanigheid dwingen, precies zoals hij de leeuwentemmer in het circus had zien doen.

“HEE”, brulde hij dus aan de ontbijttafel. “HEE”, riep zijn moeder terug vanuit de keuken, “doe eens normaal.”
Met in zijn hand een boterham met pindakaas, en in gedachten de plattegrond van zijn toekomstige huis dagdroomde hij verder.

Hij wilde een groot huis. Een héél groot huis. Zijn huis zou zo groot zijn dat hij met een golfkarretje van de ene naar de andere kant moest rijden. Hij zou een kamer vol met dure spelcomputers hebben, en de nieuwste computerspelletjes. Een kamer met een enorme tv en echte bioscoopstoelen.
Een zwembad. Met glijbaan.
Zijn vriendjes zouden elke dag willen komen spelen en altijd zou hij zeggen: “Vandaag niet jongens. Ik moet de leeuwen trainen.” Want leeuwen had hij. En een giraffe. En voor binnen een poes. Of twee. (Hij hield van poezen.)

Hij zou een keuken met een dubbeldeurskoelkast hebben, een koelkast die altijd vol was. Een ijskast vol ijs. In alle smaken. (Het water liep hem in de mond.) Er zou altijd ketchup zijn en altijd mayo, en dan niet de nepmayo die zijn moeder bij de Lidl kocht. Geen mayo in een tube, met een vette gele rand opgedroogde smurrie. In zijn huis zat mayo in grote glazen potten. Schone potten. En de ketchup was van Heinz. Zijn moeder zou elke avond hamburgers voor hem bakken. En hij zou nooit, nooit naar school gaan.

Naast zijn enorme huis zou hij een enorme vijver hebben, een vijver vol met koikarpers. Dure karpers, zoals de buurman had. Enorme oranje witte vissen waar hij van de buurman wel naar mocht kijken, liefst van achter de schutting, maar waar hij nooit aan mocht komen.(“BETER BLIJF JE MET JE BOLLE TENGELS VAN M’N KARPERS, DIKZAK”)

Hij wist nog goed dat er ooit een poes was gekomen. Van het zwarte net dat de buurman had gespannen had het beest zich niks aangetrokken en met een lenig pootje had ze vakkundig een karper uit de vijver gevist. Het gegil van de buurvrouw was reden geweest poolshoogte te nemen, en met zijn snoet net boven de schutting had hij de felgekleurde vis zien spartelen op de grindtegels. De buurvrouw had nog geprobeerd de karper met haar voet de vijver in te schuiven, maar haar goede bedoelingen hadden enkel geresulteerd in een spoor van oranje schubben. En een dode dure vis.

Nu, twintig jaar later, zit hij met een boterham met pindakaas aan diezelfde keukentafel en bedenkt hij zich tevreden dat hij het – op basis van zijn jeugdige criteria – zo slecht nog niet gedaan heeft. Misschien woont hij dan niet in een enorm groot huis, en leeuwentrainer is hij ook niet geworden, maar in zijn huis heeft hij aan poezen geen gebrek, en in de vijver zwemmen dikke, dure koikarpers. Bijna elke avond bakt zijn moeder hamburgers voor hem, en hij eet zoveel mayonaise als hij wil uit de overvolle koelkast.

Hij neemt een hap van zijn brood, laat de korstjes liggen. Hij staart naar zijn bord en grijnst. Want hoewel hij op zijn leeftijd natuurlijk niet meer naar school hoeft, heeft hij zich maar mooi weten te ontworstelen aan het volwassen equivalent: werk. En hoewel er nooit vrienden langskomen, mist hij er niks aan. Want wie heeft nou vrienden nodig, bedenkt hij voldaan, wanneer je computerspelletjes kan spelen op je 64″ flatscreen tv.

Leave a Reply

Required fields are marked *.

*